Column

Aflevering 5: Snappie?
Aflevering 4: Het avontuur van Renske.
Aflevering 3: Het verschil tussen man en vrouw.
Aflevering 2: Monsters.
Aflevering 1: It’s all in the name.

Snappie?
Iedere Nederlander die zo af en toe eens radio luistert of televisie kijkt, weet dat Snappie een groene krokodil is. Voor degene die het niet weten of even vergeten zijn, Snappie wordt bezongen in een Duitse hitsong, gemaakt door een achtjarig meisje, die begint met de tekst Sni, Sna, Snappie.

Dit verhaal gaat ook over Snappie, maar deze Snappie is de groene krokodil van Lubwin, voor insiders Grote Lubwin of Rukwind. Alhoewel iedereen, zelfs de eigenaar, zal denken dat de groene krokodil uit dit verhaal aan zijn naam is gekomen door de overeenkomsten die hij heeft met de kroko uit het liedje, zal ik jullie de ware toedracht van zijn naamskeuze uitleggen.

Op een warme zomerdag vertrok Lubwin samen met Marjolein, naar het Grand Etang, het plaatselijke zwemmeer, in Saint Saud. Omdat ze de dag ervoor hadden geconstateerd dat de zwemregels versoepeld waren en bootjes en luchtbedden weer waren toegestaan, besloten ze een tussenstop te maken bij de tabakszaak in het dorp. De plek waar naast rookwaar, de toerist alles kan vinden wat hij vergeten is, om vanuit Nederland mee te nemen. Twee luchtbedden dus. Eén voor Marjolein en één voor Lubwin. Beschikkend over goede Franse kwaliteiten, besloot Lubwin het woord te doen. Na zijn ogen goed de kost te hebben gegeven en natuurlijk wetend wat de inhoud van zijn portemonnee was, had hij de keuze snel gemaakt. Het eenvoudige, roze luchtbed van 2 euro was voor Marjolein. En het luxe, kinderlijke, op een groene krokodillijkend luchtbed van maar liefst 14 euro was voor HEM. Marjolein die dit alles zag gebeuren, wierp hem wat vragende blikken toe. “ 12 euro verschil?” “Ben ik niet meer waard?” “Ik wil ook een andere.” Maar Lubwin negeerde dapper deze heimelijk toegezonden blikken en Marjolein bewaarde haar fatsoen tot ze buiten waren. Daar brandde de discussie los. Verschillende verklaringen, van Lubwins zijde, passeerde de revue. Maar net zoals het argument “ Twee krokodillen is niet handig, want dan weet ik niet welke van mij is” viel ook het argument “Twee krokodillen vond ik te duur” niet in goede aarde. Lubwin besloot het uiteindelijk over een ander boeg te gooien en trok Marjolein liefdevol naar zich toe en fluisterde iets in haar oor. Dick en Harriët, wat later gearriveerd en niets wetende van de inkooppraktijken en de daarop volgende discussie, overzagen het ‘romantische’ tafereel, ontdekte de groene krokodil, en hoorde Lubwin, tijdens zijn zoveelste poging om het goed te maken met Marjolein, zeggen: “Snap pie?” Deze populaire omschrijving voor de vraag “Snap je?” werd door Dick, het Snappie lied in zijn achterhoofd hebbend, aangezien voor de naam van de pasgekochte aanwinst, de groene kroko. Hij reageerde dan ook enthousiast, begon vragen te stellen over Snappie en voordat ze er erg in hadden was de discussie van de baan. Maar ik weet zeker dat er ergens nog een klein vlammetje van ongenoegen wakkert bij Marjolein want als je haar nu zou vragen “Snap pie waarom Lubwin een luchtbed heeft van veertien euro en jij er één van twee?” dan zegt ze vast en zeker “Ik snap het niet!”

Het avontuur van Renske.
Woensdagavond, half negen, Henri en ik zitten onderuitgezakt op de bank van ons avondmaal te genieten. We nemen de planning voor de komende uren nog even door; wat zappen, nog een wijntje op de camping drinken en vanavond, we weten het zeker, op tijd naar bed. Voordat we onze laatste hap naar binnen hebben gewerkt, wordt erop de deur geklopt. Renske, onze stagiaire, die in het vakantiehuisje logeert staat op de stoep.’Er zit een beest in mijn huisje’ Gebeurt hier wel vaker dus voor spinnen, muizen en padden moet je hier niet bang zijn en dat is Renske ook niet! En door die wetenschap zijn we meteen geboeid. ‘Wat zit er dan?’ ‘Toe, vertel.’ Maar helaas, krijgen we dat antwoord niet meteen te horen. ‘Raad maar!’ Toch maar voorzichtig beginnen ‘Een muis?’ ‘Nee, en ook niet de pad, die al de hele tijd bij mij logeert’ Tja dat hadden we kunnen weten. Poging twee. ‘Een rat?’ Niet dat wij ons daar iets bij voorkunnen stellen, want sinds Vaures weer bewoond is, de oude melkstal is opgeruimd en Knoeffie en Gerrit hier rond lopen hebben we eigenlijk nooit meer ratten gezien.

We zijn dan ook redelijk opgelucht dat ook op deze gok het antwoord nee is. Tijdens poging drie, tevens de laatste poging komen een heel assortiment dieren langs, een hagedis, een vuursalamander, een vliegend hert, een vogel, maar het antwoord blijft NEE.

Wanneer Renske ons daarna vertelt wat voor dier het wel is, komen Henri en ik in actie. Henri bewapent zich met een schop, voorziet zich van zijn beeklaarzen en trekt ten strijde. Ik volg hem heldhaftig met mijn fotocamera in de aanslag. Er is maar één maar. Wanneer we bij het huisje aankomen is beest verdwenen. Omdat Renske duidelijk aangeeft geen oog dicht te doen voordat we de gruwel gevonden hebben en wij dit wel snappen, gaan we op zoek. Op de douche, onder het bed, achter de kasten. Nee, nee en nog eens nee. Buiten? Nee, of hij moet al erg ver weg zijn. Dus, vaatwasser aan de kant, koelkast van de muur. Nog niet. Hij moet ergens zijn. ‘30 centimeter lang 1 centimeter dik’, herhaalt Renske nog een keer. ‘Zou je toch moeten kunnen vinden’, is ons antwoord. ‘Zijn tong ging op en neer.’ Echt eng lijkt ons, dus doen we extra ons best. Henri trekt en hijst nog eens aan wat snoeren, zodat de apparaten wat verder van de muur kunnen. En dan eindelijk vinden hem toch. Verstopt onder de vaatwasser ligt opgerold een slang te wachten op zijn doodvonnis. Waarschijnlijk hij banger voor mij, dan ik voor hem, schiet ik wat plaatjes, om me daarna af te wenden van wat er komen gaat.

Wanneer ik de slang daarna weer zie, leeft hij niet meer en hebben we uitgebreid tijd om hem te bewonderen. De lengte, de kleur en de tekening op zijn lijf. Ondanks het vredige tafereel, ben ik ervan overtuigd dat je beter geen levende slang in je huis kunt hebben. En, omdat te bevestigen, wordt me, op de terugweg naar ons huis, nog eens duidelijk te verstaan gegeven dat het geen strakke actie was, om op sandalen op slangenjacht te gaan. Ondanks wat tegenargumenten van mijn kant is de slotconclusie ’Ook niet als je de alleen maar de fotografe bent.’

Het verschil tussen man en vrouw.
Volgens de theorie, zijn mannen en vrouwen niet het zelfde. Niet qua uiterlijk niet qua karakter, maar zeer zeker ook niet in hun doen en laten. Wanneer je met een man praat zal die je haarfijn uitleggen waarom een man zich gelukkig mag prijzen dat hij niet beschikt over bepaalde kwaliteiten van een vrouw. Zo is het, volgens het andere geslacht, niet handig om meerdere dingen tegelijkertijd te doen. Het zou niet goed zijn voor de betrokkenheid en de nauwkeurigheid. Maar vrouwen zullen dit weerleggen en zeggen dat het bijzonder efficiënt kan zijn, om al telefonerend, de kinderen corrigerend, de laatste hand aan de soep te leggen voor manlief die elk moment uitgehongerd binnen kan komen vallen.

Misschien is het, in mijn geval, wel terecht om te concluderen, dat ik wel eens vergeet dat Henri geen beroep op deze eigenschap kan doen. Ik had dus ook eigenlijk helemaal niet verbaasd hoeven zijn, nadat ik terug kwam van mijn avondje handballen, dat hij in plaats van het lekkere verse brood, dat op de tafel klaar lag, een pizza in de oven had geschoven. Manlief was zich van geen kwaad bewust en vroeg zich af wanneer ik die mededeling dan toch had gedaan. Na wat pogingen om zijn geheugen op te frissen, dacht ik: ‘ Laat maar, het is maar een brood, maakt niet uit.’ Je kent dat wel, maar toch …….

Dus wanneer we een paar weken later opnieuw in zo’n situatie terecht dreigen te komen, besluit ik, Henri een handje te helpen. De creatieve geest van de vrouw, zullen we maar zeggen. Ik analyseer zijn activiteiten voordat hij zijn eerste hap in zijn mond steekt en ik pak een stapeltje kleine gele kleefbriefjes. Als eerste, zal hij de koelkast in de bijkeuken openmaken, om er een biertje uit te pakken. Op deze koelkast plak ik dus het briefje ‘ Je eet vanavond brood!’ Duidelijk, zou je denken, maar omdat ik twijfel aan het korte termijngeheugen van mijn echtgenoot, herhaal ik deze boodschap op de deur die in de keuken uitkomt. Nu kunnen er nog twee dingen fout gaan. Hij zou spontaan het diepvriesvak open kunnen trekken. Om dit te voorkomen komt hierop het zinnetje ‘Nee, brood!’ En misschien wat overbodig, plak ik deze zin ook op de oven. Tenslotte wens ik hem met zo’n leuk, geel kleefbriefje een smakelijke broodmaaltijd en natuurlijk veel liefs. Deze boodschap wordt, hoe kan het ook anders, aan de zak met brood gehecht. Nu maar hopen dat het werkt.

Als ik om elf uur ’s avonds thuis kom, is er braaf brood gegeten en word ik uitgebreid bedankt voor de grappige geheugensteuntjes. Meneer kan de humor er wel van inzien. Ik realiseer me, dat hier ook wel eens een verschil tussen man en vrouw zou kunnen zitten, want ik weet zeker als mij dit was overkomen, ik uit eigenwijsheid, uit gebrek aan vertrouwen of gewoon omdat ik zelf wel kan bepalen wat ik eet, die diepvries had opengerukt, er een pizza had uitgehaald en al mokkend, me afvragend of mijn reactie wel terecht zou zijn, die pizza had gegeten.

Monsters.
Ik weet het zeker. Monsters zijn het. Onze twee, eens zo schattig lijkende, katten zijn veranderd in monsters. Meteen steken de verwijten de kop op.

‘Wat hebben we fout gedaan?’, ‘Hebben we ze te vrij gelaten?’, ‘Te weinig structuur geboden?’ of ‘Hadden we ze meer liefde moeten geven?’ Duizenden dingen malen door ons hoofd, we willen onze vinger erop leggen, maar we voelen dat we niet tot de kern van zaak durven te komen. Maar uiteindelijk is het moment daar, dat we weten, dat we niet langer om de hete brij heen kunnen draaien.

De eerste signalen hebben we gekregen toen we de laatste keer terug kwamen uit Nederland. Voor de deur, van ons huis, vonden we een uit elkaar gereten vogeltje. ‘Ach, ze hebben ons gemist’ zeiden we nog tegen elkaar, want stond er niet ergens in de praktische kattenwijzer, dat poezen die buiten mochten, het baasje wel eens kon verbazen door hem een dood vogeltje ‘aan te bieden’. In onze ogen was dit een positief teken. Knoeffie en Gerrit, onze katten, hadden dus geen bindingsangst. Ze wisten bij wie ze hoorden en hadden zich gehecht aan hun woonplek en aan ons. Maar al verder lezend, in dit boekje vol deskundige adviezen stond ook, dat ze hun prooi niet opeten wanneer ze thuis goed gevoed worden. Zou ondervoeding dan de oorzaak van dit hoopje vogelveertjes zijn. Een stil protest, bij de verantwoordelijken, over de slechte leefomstandigheden op het Franse platteland. Maar ook daar kunnen we ons niet echt in vinden. Oké, tijdens de 5 dagen dat we weg waren, was het eten misschien wat eenvoudig en werden de maaltijden maar 1x daags geserveerd, maar toch, er was meer dan voldoende eten aanwezig om niet te verhongeren.

En terwijl wij, het probleem proberen te analyseren, terroriseren de heren de boel. Zodra de buitendeur opengaat, glippen ze naar binnen, om zich daarna demonstratief op de bank of op bed te installeren. Ze nemen alleen de moeite om naar buiten te gaan om hun behoeftes te doen, om daarna weer zo snel mogelijk terug te keren. En wij maar observeren. Zou het verlatingsangst zijn? Ondanks onze overpeinzingen, schuldgevoelens en twijfels, proberen we de orde en regelmaat te bewaren en de baas te blijven in onze eigen huis. Dat betekent dat Knoeffie en Gerrit de momenten dat er niemand thuis is en gedurende de nachten, elders een slaapplek moeten zoeken. We proberen ze, zo goed mogelijk uit te leggen waarom ze buiten worden gezet, nemen de moeite om ze de volgende ochtend uitgebreid te knuffelen en hopen zo, onze twee vriendelijke beestjes weer terug te krijgen.

Na enkele dagen, precies op het moment dat we denken op de goede weg te zitten, worden we ’s ochtends verwelkomd door een half konijn. Onder aan de trap, zitten de twee, tevreden aan de achterste helft van het beestje te knabbelen. Bloedsporen markeren de mat en een op een ei lijkend balletje ligt op de vloer. Wanneer we ons gezag willen laten gelden, nemen ze het diertje al grommend mee naar hun eigen voerplek om daar hun maaltijd voort te zetten. Welk signaal wordt hier nu weer afgegeven? Opeens in een fractie van een seconde is het ons glashelder. De twee zijn aan het puberen! Ze zijn op zoek naar hun zelfstandigheid, vinden dat ze best voor zichzelf kunnen zorgen en willen hun kracht laten zien, maar aan de andere kant hebben ze behoefte aan de geborgenheid en liefde van hun opvoeders. Tevreden met deze conclusie, realiseren we ons, dat het met onze monsters net als met de meeste pubers, uiteindelijk wel goed zal komen.

It’s all in the name.
Dat Thomas boer wordt is een feit. Niet sinds kort, maar vanaf dat hij een jaar of drie is en Lucia aan hem vraagt: ‘Wat wil je later worden?’ is steevast hierop zijn antwoord, ‘Boer in Frankrijk.’ Geen, papa, Zoro, brandweerman of voetballer, zoals zoveel leeftijdsgenoten van Thomas willen, ‘Nee, boer in Frankrijk’.

Dirk-jan is zijn grote voorbeeld en als Thomas in Frankrijk is, wat gelukkig regelmatig gebeurt, moet er gemolken worden. Natuurlijk is zwemmen ook wel leuk, maar tractor rijden, een stal afbreken in Sint Aulaye, een keizersnede bekijken, dat is pas echt het neusje van de zalm voor Thomas. En nu zijn beroepskeuze toch vast staat, wordt er regelmatig bij Thomas gepolst voor wanneer zijn vertrek gepland staat. Ook hierin is Thomas heel resoluut. ‘Ik moet eerst mijn school afhebben.’ Gelukkig voor René en Lucia is hij net zeven en mogen ze nog een tijdje van zijn gezelschap genieten.

Een hele tijd dacht ik: ‘Waar vind je nou zo’n tweede exemplaar?’ ‘Nergens toch.’ Totdat een week geleden, ’s avonds, tegen een uur of zeven de telefoon gaat. Het is mijn broerlief. Mijn kleine neefje, net drie jaar, heeft een vraag aan mij. Met zo’n heerlijk hoog, eigenwijs stemmetje wordt zijn vraag gedropt. ‘Marian, wat doet boer Henri met zijn laarzen als hij klaar is met werken op de boerderij?’ Geduldig leg ik uit, dat de laarzen op de boerderij blijven, dat hij werkschoenen heeft voor in de auto en dat hij in huis sloffen aan zijn voeten heeft. Waarschijnlijk is mijn antwoord een openbaring, want ik hoor hem zeggen, ‘Papa, boer Henri heeft in huis sloffen aan!’ Er wordt nog even wat gekeuveld en daarna wordt de hoorn weer zijn pa gegeven, die mij uitvoerig bedankt voor mijn bijdrage aan de opvoeding van zijn zoon. ‘Ach,’ vertelt mijn broer, ‘hij is al weken boer, rijdt tractor net als Henri, maar hij wil zijn laarzen binnen niet uitdoen en wat kun je dan beter doen, dan zo’n vraag voorleggen aan een echte boer.’ Helemaal gelijk heeft hij en omdat hij onderweg was de kinderen naar bed brengen wordt het gesprek afgesloten. In gedachten zie ik mijn broer verder lopen, ik hoor hem vragen, ‘Welk boek wil je vanavond graag horen’ en zijn zoon zal zeggen, ‘Liselotje is jarig.’ Waarom nou juist dat? Liselotje wordt in dit verhaaltje vier jaar en als vier jaar bent, dan mag je naar school. En dat zijn, de grootste wensen van mijn kleine neefje. Een gedegen opleiding en boer worden net als Henri. En voor iedereen die dit vreemd vindt en deze keuzes niet begrijpt, waarschijnlijk zit het hem gewoon in de naam, want mijn kleine neefje heet ….. Thomas.